Geslaagd voor Mila 4In maart van dit jaar studeerde ik af aan de opleiding Talentcoach Mila niveau 4. Ik zeg wel eens de hoogste loopspecifieke trainersopleiding. Alleen topsportcoach niveau 5 is een vervolg, maar die is niet meer specifiek. In die laatste lichting van topsportcoach 5 zitten coaches uit volleybal, handbal, wielrennen, schaatsen, golf, judo, tafentennis, honkbal, zwemmen, zeilen, squash, roeien, aikido en atletiek/hardlopen. Tot die lichting behoort Grete Koens, de bondscoach bij de Atletiekunie voor MiLa.

Ik begin over dit onderwerp omdat ik geprikkeld werd door de inleiding van Joop Alberda in NLCoach. In nummer 2 van 2015 zijn drie interviews opgenomen van talentcoaches die doorstromen naar het bondscoachschap. De weg die ze bewandelen is een logische van coach van jeugdteams van het CTO (Centrum voor topsport en onderwijs) tot bondscoach van nationale teams. Remy de Wit combineert zijn bondscoachschap van de basketbaldames nog met zijn functie bij het CTO in Amsterdam, waar hij het eredivisieteam coacht. Volleybalcoach Saskia van Hintum is naast assistent van bondscoach Giovanni Guidetti ook eindverantwoordelijk voor Jeugd Oranje. Wim Scholtmeijer maakte wel de volledige overstap van Jong Oranje naar de korfbalselectie van Oranje. Logische stappen van coaches in hun ontwikkeling, zou je zeggen.

albeda

Joop Alberda, de gouden volleybalcoach bij de OS 96

Maar Alberda ziet het anders. De titel van zijn column ‘wees zuinig op meerwaarde van talentcoach’ geeft de strekking van het artikel weer. Ook Alberda begrijpt de ambitie van het bondscoachschap wel. ‘En toch maak ik graag een kanttekening: als de Talentcoach goed is op zijn gebied, mag hij niet weg,’ stelt hij, ‘zijn promotie creëert namelijk een onverantwoord probleem in het specialistische domein van de jonge topsporter.’ Alberda gaat er vanuit dat de talentcoaches specifiek zijn opgeleid om de jonge talentvolle sporter bij te staan in zijn ontwikkeling. De rol van bondscoach is een andere, zo beweert hij. De bondscoach moet oogsten in plaats van opleiden. Hij noemt het ‘de spagaat van de sport’. Hij is bang dat de expertise van talentcoach verloren gaat bij een promotie naar bondscoach. Hij maakt zelfs de vergelijking dat een leerkracht in het basisonderwijs ook geen universitair docent zal worden. Hij vraagt zich af of de meerwaarde van talentcoach wel voldoende erkend wordt.

Ik wil daar twee kanttekeningen bij plaatsen. De eerste is de opleiding tot talentcoach zelf. Ik ken niet de opleiding bij de andere bonden, maar in de opleiding Talentcoach 4 bij de Atletiekunie hebben we nauwelijks aandacht besteed aan de jonge sporter. In het hele opleidingstraject is de jonge sporter nauwelijks specifiek ter sprake gekomen, niet in het generieke gedeelte waar trainingsleer, motorisch leren, mentale aspecten, medische aspecten, periodisering, coaching (van Joop Alberda zelf, zeer inspirerend), testen & meten en voeding & herstel. Maar ook in het specifieke gedeelte onder leiding van Grete Koens zijn we nooit heel diep ingegaan op het coachen en training geven van de jonge sporter. Bij Grete hebben we kort het LDAP (Long Term Athlete Development) model besproken. Daarin komt natuurlijk het talent voorbij, maar ook de topsporter, het spelende kind en de gezondheidssporter op leeftijd.

Het tweede is dat in de opleidingsstructuur ook dezelfde opbouw zit. De Talentcoach is opgeleid op niveau 4. De topsportcoach op niveau 5. In een inleiding op de drie interviews van hierboven citeert NLCoach het NOC*NSF: ‘Het aanstellen van een specifieke en stabiele groep van talentcoaches in de nationale opleidingsprogramma’s is van cruciaal belang.’ De sportkoepel initieerde een hoogwaardig talentontwikkelplan. Maar als de talentcoach als zo belangrijk wordt gezien, waarom gaat de opleiding dan niet verder dan niveau 4? En waarom stelt het NOC*NSF geen middelen beschikbaar aan de bonden om die talentcoaches aan te stellen? In de persoonlijke ontwikkeling van de talentcoach is die van topsportcoach (lees: bondscoach) de enige logische stap en zelfs Alberda vindt die ‘natuurlijke weg een plausibele.’ Hij zegt ook: ‘In de sport is het voor coaches een bijna vanzelfsprekende route om bij succes vanuit de jeugd steeds verder in de hiërarchie op te schuiven.’

Als het NOC*NSF en Joop Alberda echt wil dat talentcoaches een specifieke expertise voor het trainen van talenten moeten hebben, moet het de opleiding daar meer op toe spitsen en in mijn optiek ook op niveau 5 een opleiding samenstellen voor talentcoaches. Dat geldt dan ook meteen voor de aanstelling van talentcoaches bij bonden, CTO’s en RTC’s, (regionaal talenten centrum) niet alleen in beleid, maar ook in financiële middelen. Want je kunt van een talentcoach niet verwachten dat hij op zijn onderbetaalde post blijft zitten, als daar een redelijk tot goed betaalde functie beschikbaar komt als bondscoach. ‘Het zou daarom op alle niveaus goed zijn ons af te vragen of de meerwaarde van de talentcoach op grond van zijn deskundigheid wel voldoende wordt erkend,’ besluit Alberda zijn voorwoord in NLCoach.

Maar stel dat ook dat opleiding en beloning allemaal goed geregeld is, dan doet zich nog een probleem voor. Stel je bent als talentcoach werkzaam bij een RTC en er komt een talent af en toe bij jou trainen in eerste instantie in de onderbouw (de vroege regiotraining). De ontwikkeling gaat goed en het talent besluit bij definitief aan te sluiten bij de bovenbouw van die groep. De ambities en prestaties gaan zo goed dat limieten voor EJK’s, EK’s, WK’s en zelfs Olympische Spelen gerealiseerd worden. Dan maakt het talent, dat topsporter is geworden niet plots de overstap naar de bondscoach. Het talent en de coach ontwikkelen zich tezamen en creëren een hechte band. Mogelijk dat het binnen teamsporten anders verloopt, maar bij individuele sporten zoals hardlopen kun je niet verwachten dat de sporter afscheid neemt van de coach als ze samen successen gaan boeken.